A. Alberts & H.J. Friedericy, schrijvers

 

 

 

 



 

FNV-Magazine 1986

 

DE AMBTENAAR: VIJAND OF VRIEND

 

A. Alberts is schrijver. Maar eerst was hij ambtenaar. Van 1939 tot 1976, met een onderbreking tussen 1948 en 1965 toen hij redacteur van de Groene Amsterdammer was. Recent publiceerde hij een boek bij Van Oorschot geheten Inleiding tot de kennis van een ambtenaar (23,50). Toen minister Van Dijk zo openlijk twijfelde aan de arbeidsprestaties van ambtenaren, vroeg FNV-Magazine Alberts om een nawoord te schrijven op zijn eigen boek. Exclusief voor de lezers van FNV-Magazine: Alberts, Van Dijk en de amtenaren.

 

Volgens een oud spreekwoord is geld de wortel van alle kwaad. Het gezegde heeft zichzelf waarschijnlijk overleefd. In de maatschappij van onze dagen behoort het beschikken over geld tot een van onze eerste levensbehoeften. Geen kwaad dus, maar een noodzakelijkheid, al zullen sommigen willen spreken van een tussenvorm, een noodzakelijk kwaad dus.
De burgers binnen een samenleving verlangen voor zichzelf en hun naasten een behoorlijk bestaan: geestelijke en materiële veiligheid van de wieg tot het graf; niet te veel belemmerd worden in hun gedragingen en minstens zoveel luxe als hun buurman.
    Voor de verwezenlijking van die verlangens is geld nodig. In een aantal gevallen wordt dit rechtstreeks door de betrokkenen gefourneerd, maar voor een niet gering deel gaat dat betalen via via. Dat wil zeggen: de burger betaalt belasting aan de staat. Dat geld komt ter beschikking van de door hemzelf gekozen overheid, te weten de landsregering en de besturen van provincie, gemeente en nog wat zogenaamde publiekrechtelijke lichamen.
    We kunnen zonder overdrijving zeggen, dat de landsregering van deze instellingen de voornaamste is. Ze ontvangt verreweg het meeste geld en ze geeft ook verreweg het meeste uit, soms meer dan de kas toelaat, maar dat is tot daaraantoe. Zonder het beschikken over en het uitgeven van geld kan een regering niet regeren, geen beleid voeren. Maar voor dit beleid is iets anders minstens even noodzakelijk: de mensen die dat beleid helpen vaststellen en die het vervolgens uitvoeren. We weten, wie dat zijn: de ambtenaren.
    Ambtenaren zijn bekleders van functies in dienst van de overheid. Heeft de overheid die mensen dan nodig? Een makkelijk, maar ietwat cynisch antwoord op deze vraag zou kunnen zijn: tegenwoordig blijkbaar niet zo erg meer. Het regeringsbeleid is in de voorafgaande honderd jaar voortdurend uitgebreider geworden; na de Tweede Wereldoorlog zelfs in een sterk versneld tempo. We noemen maar enkele oorzaken: het realiseren van sociale zekerheid, de industrialisatie en de daardoor geschapen problemen op allerlei gebied, het deelnemen aan het werk van internationale organisaties. Dit en nog veel meer heeft gemaakt, dat voor het functioneren van de overheid een groeiend aantal medewerkers nodig was. Meer ambtenaren dus. En meer geld om die ambtenaren te betalen.
    Uit tweeërlei oorzaak meer geld. Ten eerste wegens de zojuist noodzakelijk genoemde groei van het aantal. Ten tweede omdat van alle werknemers in de voorafgaande jaren de lonen moesten stijgen. Dus niet alleen van de werknemers in het bedrijfsleven, maar ook voor die van de overheid.
    Dit zijn allemaal bekende ontwikkelingen, die hier alleen maar wat extra worden belicht, omdat in deze normale en zelfs onvermijdelijke gang van zaken dreigt te worden ingegrepen ten nadele van de ambtenaar en van zijn positie in de samenleving.

    In de samenleving heeft de positie van de ambtenaar als het ware twee aangezichten, twee gestalten.


    a) gezien door de overheid;
    b) gezien door de staatsburger.
    Of eigenlijk nog een derde:
    c) gezien door de ambtenaar; een soort zelfportret dus.

 

    We beginnen met de overheidsvisie. In de ogen van elke regering - landelijk, regionaal of plaatselijk - zijn ambtenaren werknemers, zonder wie het overheidsbedrijf niet zou kunnen blijven draaien. De ambtenaren zorgen voor medebepaling van het beleid, uitvoering van het beleid, dienstverlening op alle gebieden, die door dat beleid worden geraakt. Wanneer bijvoorbeeld in de Staten-Generaal een beslissing wordt genomen, waaraan uitvoering moet worden gegeven, dan is de inhoud van dat besluit in belangrijke mate medebepaald door ambtenaren. En de uitvoering of toepassing van een en ander wordt geheel en al aan hen overgelaten. De overheid weet dat. Maar of ze zich tegenwoordig naar die wetenschap gedraagt, is een tweede.
    De kijk van de staatsburger op de ambtenaar vormt een minder plezierig onderwerp. Uiteraard worden hier de staatsburgers bedoeld, voor zover ze geen ambtenaren zijn. Waarom minder plezierig? Omdat de ambtenaar in Nederland door zijn niet-ambtenaarlijke landgenoten niet zelden met enige irritatie wordt bejegend. En die manier van doen is niet van vandaag of gisteren. Wanneer het publiek te maken krijgt met ambtenaren, vooral als ze van elkander zijn gescheiden door een loket, dan is dat vaak een ontmoeting, die door de een niet wordt gewild en door de ander wordt opgelegd of voorgeschreven. Geen situatie, die begrip, laat staan waardering opwekt van de bezoeker voor de lokettist.
    Daar komt nog bij, dat de ambtenaar deel uitmaakt van een enorme organisatie, waarbinnen regels gelden, die zowel door de ambtenaar als door de burger moeten worden nageleefd, wil de boel geen rotzooi worden.
    En tenslotte - we noemen alleen de hoofdoorzaken van de hier gesignaleerde antipathie - moet de niet ambtenaarlijke staatsburger ook nog opkomen voor het salaris van de ambtenaar. En zoiets wringt altijd wel ergens. De burger is licht geneigd zich te gedragen als een kleine werkgever, die van alles heeft aan te merken op de prestaties van de door hem betaalde werknemer. En zeg niet, dat dit een overdreven voorstelling van zaken is. Niemand minder dan de voornaamste werkgever der ambtenaren, onze minister van Binnenlandse Zaken, heeft zich, zoals we weten, onlangs in die geest uitgelaten. Een mooie aanmoediging voor de burgers, die de ambtenaar toch al niet aan hun hart gebakken hebben.
    Max Geldens, directeur van de Amsterdamse vestiging van het adviesbureau McKinsey zei overigens in VN: 'Ik geloof dat ons overheidsapparaat buitengewoon efficiënt functioneert'. En over de financiële kant van de zaak: 'Als de minister met de Abva/Kabo wil bakkeleien over één of twee procent loonsverhoging, vind ik dat best. De lonen bij de overheid moeten fundamenteel omhoog, met dertig of vijfendertig procent'. Een heerlijk geluid, maar ik moet het nog horen, zei dove Jaap.
    Tenslotte, hoe ziet de ambtenaar zichzelf? Er zou hier natuurlijk een heleboel kunnen worden gezegd over de betrokkenheid van de overheidsdienaar bij zijn werk, bij het landsbelang en bij een regelmatig bestuur, maar we hoeven de voorstelling niet mooier te maken dan ze is. Maar dit kan wel worden gezegd over datgene, waarvoor de ambtenaar, soms onbewust, maar heel vaak bewust, oog heeft: zijn werk draagt in belangrijke mate bij tot het behouden en verdedigen van de rechtszekerheid binnen de staat. Dat lijkt een groot woord, maar dat is het bij nader inzien helemaal niet. Wat gebeurt er in een land, waar door de aantasting van het ambtenarenapparaat onvermijdelijk de rechtszekerheid wordt aangetast?

 

Nachtmerrie

 

    Het is tien uur in de ochtend. De klok onder een van de publieke tribunes wijst die ongebruikelijke tijd voor een vergadering aan. Nog ongebruikelijker zijn alle bankjes tot op de laatste plaats bezet. Het kabinet zit geheel compleet en blijkbaar eensgezind achter de regeringstafel. Alles lijkt vol en volledig. Zonder opzij te zien steekt de voorzitter zijn rechterhand uit. Hij verwacht, dat de bode hem een of meer stukken zal toestoppen. Als dat niet gebeurt, kijkt hij om. Er is geen bode. Hij kijkt naar zijn imposante lessenaar. Geen stuk te zien. Wat? Ook geen hamer? Ook geen hamer.
    De voorzitter gaat rechtop zitten. In zijn nu stijgende opwinding is hij bijna gaan staan, maar dat is overbodig, want vanaf zijn hoge zitplaats ontgaat hem niets. Ook niet het zwarte gat in het midden van de Kamer. Daar hadden de griffier en zijn wakkere gezellen moeten zitten. Geen griffie, geen stenografen, geen bodes. Niemand.
    De voorzitter slaat met zijn vuist op de lessenaar en roept: Ik open de vergadering. Alsof dit een sein is geweest, ontstaat in de tot dan toe stille zaal een geroezemoes, dat aanzwelt tot het de omvang en de toonhoogte heeft bereikt van een gemiddelde klaagzang. De voorzitter slaat opnieuw en ditmaal harder en roept: Stilte! Ik geef het woord aan de minister-president.
    De minister-president komt overeind en pakt de voor hem staande microfoon. Hij begint te praten, maar hij zegt niets. Dat gebeurt wel meer, maar ditmaal heeft het een duidelijke oorzaak: de microfoon is niet aangesloten. Achter in de zaal staat een vrijwel onbekende afgevaardigde op en loopt tussen twee rijen bankjes door naar de regeringstafel. Voor hij in de politiek terecht gekomen was, was hij ergens eerste monteur geweest, die alleen maar in avondcursussen zijn tijd besteedde aan maatschappijleer. Van zijn vak is hem in elk geval nog wat bijgebleven.
    (De geachte afgevaardigde stelt de aanwezige microfoons in werking en vervolgens leest de minster van Binnenlandse Zaken een nota voor, opgesteld door de gezamenlijke secretarissen-generaal):
    Wij hebben de eer u mits dezen mede te delen, dat met ingang van hedenmorgen zeven uur door ons een volledige werkstaking van ambtenaren is uitgeroepen. Het parool is aan allen doorgegeven en het wordt door iedere ambtenaar opgevolgd. Wat dit betekent zal, hopen wij, door u, door de overige ministers en door de leden van de Staten-Generaal worden beseft, zodra deze staking nog maar drie uren oud zal zijn.
    U zult willen weten waarom en waartoe wij hebben besloten een algemene werkstaking af te kondigen voor ambtenaren. We kunnen hierover zeer kort zijn. Reden is de bijzonder grote ontevredenheid onder al onze collega's - geen enkele uitgezonderd - over de loszinnige manier, waarop wij ambtenaren worden behandeld. Dat komt vooral tot uiting in de waardering, zoals we dat kunnen zien in de beoordeling van onze arbeidslust en onze salarissen.
    Wij verlangen, dat uit uw midden een commissie wordt gevormd. Deze commissie zal ten overstaan van ondergetekenden de bereidheid moeten tonen tot een gedegen overleg, dat moet leiden tot gedegen resultaten.

 

Dagdroom

 

     Natuurlijk gebeurt zoiets niet, maar het zou aardig zijn als we van die nachtmerrie een dagdroom zouden kunnen maken. Wat wel zou kunnen en misschien ook zou moeten gebeuren, is het geven van een verduidelijking van het wezen en het belang van de ambtenaar en zijn werk. Voorlichting dienaangaande hoeft niet te worden gegeven ten behoeve van de regering. Ministers en leden van het parlement weten duvels goed, wat ze aan de ambtenaren hebben en hoe die onmisbaar voor hen zijn - al lijkt tegenwoordig hun oordeel wat te worden verduisterd door beweegredenen, die meer te maken hebben met het financieringstekort dan met de rechtszekerheid.
    Maar de voorlichting is wel degelijk nodig om het publiek tot betere gedachten te brengen. Tot een herziening van zijn nogal gemakzuchtig oordeel over de ambtenaar: een werknemer, die een van de hunnen is.

 

A.ALBERTS


 

Laatste wijziging: 09.06.2015